‘Maar mam wat als het wel uitgezaaid is? Ik geloof niet dat ik dan nog behandeling wil. Dan pak ik liever mijn spullen, ga op reis en maak er nog wat van. Ik wil niet tot het eind door met al die chemo’s. Als er nog een kans is dan wel, maar anders….’
Het was voor mij pijnlijk om te zeggen omdat ik haar niet wilde kwetsen, maar ik wilde dat ze het wist. Misschien wel om haar ‘voor te bereiden’ op dat wat nog kon komen. Wat als het niet goed zou gaan?
Tijdens mijn ziekte kwamen er oergevoelens bij mijn moeder naar boven. Ze liet zich nergens wegjagen of afschepen. Ze hield iedereen en alles goed in de gaten. Er ging geen naaldje onnodig of ongezien mijn huid in. Ik stuurde haar altijd weg als ik geprikt moest worden, zodat ik in alle rust bang kon zijn van de naald zonder dat het moederbeest als een wilde tijgerin in de nek van de prikker stond te hijgen.
Soms voelde het best een beetje gênant.
Als ik huilde, moest mijn moeder ook huilen, waardoor ik weer harder ging huilen, omdat ik het zo erg vond voor m’n moeder. Op die manier kon het wel eens uitlopen op een heus waterballet. Daarom heb ik haar gevraagd niet mee te gaan naar de chirurg. Ik wilde vooral weten of beide borsten tegelijk geamputeerd konden worden, maar die vraag kon ik niet uit m’n mond krijgen waar zij bij was.
Nu het ‘ziek zijn’ over is moet ik mijn eigen leven weer gaan leiden en is haar ‘glansrol’ vervuld. Ik irriteer me alweer flink aan al haar eigenaardigheden. Toch is het nu anders, want nu weet ik dat het soms heel fijn kan zijn wanneer je moeder zich met alles bemoeit.